Pro Life
You can click at the top right on "Select Language" to select your language - U kunt rechtsboven klikken op "Select Language" voor uw eigen taal
< Terug

DO017 De Bijbel. Hoe oordeelt de geschiedenis erover - Aflevering 05: De Babylonische en Perzische periodes

De Bijbel, het belangrijkste en populairste boek uit de menselijke geschiedenis. Essentieel in het judaïsme, christendom en de islam. Is het betrouwbaar? Vertrouwt u het en zou u het moeten vertrouwen? Doe mee met deze rondleiding door het Brits Museum en de Britse Bibliotheek met Sasan Tavassoli en Jay Smith in "De Bijbel, hoe oordeelt de geschiedenis erover", Aflevering  05: De Babylonische en Perzische periodes.

Introductie

Dr. Sasan Tavassoli zegt ons dat we ons gesprek met Dr. Jay Smith voortzetten over hoe de archeologie het Bijbelse verslag van de geschiedenis bevestigt. Hij hoopt dat we tot nu toe van deze uitzendingen genoten en vraagt ons mee te gaan in deze nieuwe aflevering waarin we verder onderzoek hopen te doen over dit onderwerp.

Bemoediging

Tavassoli en Smith ontmoeten elkaar weer in de Westminster Chapel. Tavassoli zegt dat een hoogtepunt in de rondleiding van Smith door het Brits Museum uit de vorige uitzending, iets dat hem diep raakte, het Hizkia-wandreliëf was. Hij kende het verslag van 2 Koningen en Jesaja, hoe Sanherib Jeruzalem wilde verwoesten en waarop de Heer Zijn engel stuurde om 185.000 soldaten weg te vagen. Maar soms vraag je je af of zoiets wel klopt. Het lijkt dan zo overdreven. Kunnen we dat verhaal wel vertrouwen? Toen Tavassoli de Hizkia-wandreliëf las, hoewel Sanherib er een politieke draai aan had gegeven, vulde dit het Bijbelse verslag prachtig aan. Dat was erg bemoedigend voor zijn geloof, omdat daaruit bleek dat de historiciteit van de Bijbelse verslagen te vertrouwen is.

De kijkers vragen zich misschien af, nu we zoveel details hebben besproken over koningen, oorlogen, dynastieën, documenten en monumenten, of we niet gaan verzanden in de details. Wat Tavassoli echter kostbaar vindt, is het doel van al die historische details. Ze bevestigen niet alleen de betrouwbaarheid van de Bijbel, maar ook de betrouwbaarheid van de Auteur. We kunnen Hem dan ook vertrouwen als Hij spreekt over geestelijke realiteiten, over het hart van de Vader die deze liefdesbrief, de Bijbel, aan Zijn kinderen schreef.

Als het onze wereld raakt en spreekt over historische zaken die we kunnen onderzoeken en we beseffen dat die dingen kloppen, dan mogen we er ook op vertrouwen dat zaken die we niet archeologisch kunnen bevestigen, namelijk de geestelijke zaken waar zijn.

De vondsten in het museum tentoongesteld kunnen niet bevestigen dat God van ons houdt, dat God gekomen is om Zijn volk te redden, dat Hij de menselijke geschiedenis is binnengekomen, Zich vereenzelvigd heeft met onze strijd tegen onze zonde, om ons te redden. Archeologisch is dat niet te bewijzen.

Wel kunnen we zulke acties in onze geschiedenis bevestigen vanuit de historische verslagen ervan. We kunnen controleren of, waar en wanneer Gods handelen in de geschiedenis kloppende raakvlakken heeft met de menselijke geschiedschrijving. Als dat zo is, dan kunnen we ook Gods hart vertrouwen dat schuilgaat achter de geschiedenis en het auteurschap van de Bijbel. Dat bemoedigt Tavassoli enorm in zijn geloof. Als wij kunnen vertrouwen op Gods beloften uit het verleden, dan kunnen we ons leven en onze toekomst in Zijn handen leggen, wetende dat Hij Zijn volk in het verleden beschermd en gered heeft. Hij kan hetzelfde doen voor ons. Ons redden en beschermen in de toekomst. Het gaat dus niet alleen om archeologische en historische discussies. Uiteindelijk hebben we het hier over een relatie met God, die van ons houdt, die ons beschermt en redt. We kunnen de Bijbel vertrouwen.

Tavassoli wil Smith bedanken voor de opbouw van zijn geloof. Hij hoopt dat wij als kijkers hetzelfde ervaren.

De Babylonische periode, 600 – 500 v.Chr.

Jay Smith vat eerst samen wat we hiervoor bespraken. We zijn vanaf de eerste uitzending ingegaan op het Genesis-verslag, de patriarchale periode van 2000 v.Chr., op de Mozaïsche periode van 1400 v.Chr. en op de Davidische periode van 1000 v.Chr. We hebben een groot deel van de Assyrische periode besproken, waarvan we veel materiaal in het Brits Museum hebben. We gaan nu verder met de Babylonische periode, dat is vooral de 7e en 6e eeuw v.Chr. Het is interessant wat we daar aantreffen niet alleen over koning Nebukadnessar, maar vooral over de persoon die wij kennen als Daniël. Er valt enorm veel over Daniël te vertellen. We kunnen het beste terugkeren naar het museum om te kijken wat het boek Daniël zegt en wat critici zeggen over het boek Daniël, en hoe het Brits Museum de problemen voor ons oplost.

Ik sprak eerder over een kleine trommel die te maken heeft met Daniël.

Voor ons, als Bijbelse geleerden, wekt dat een gevoel van euforie op. De meeste mensen kijken niet eens naar zo'n klein trommeltje.

Toch ontsluit het een heel boek, een hele periode. In dit geval ontsluit het een diepe waarheid over Jezus Christus. Want Jezus gaf Zichzelf heel vaak de naam ‘Zoon des mensen’ wat lijkt te suggereren dat Hij slechts mens is. Het boek Daniël geeft ons echter de ware definitie. Maar eerst moeten we de betrouwbaarheid van dit boek bevestigen. Laten we terugkeren en de Babylonische periode induiken.

Het boek Daniël

We volgen Jay Smith naar het Brits Museum en wel naar kamer 55 op de bovenste verdieping. Op onze speurtocht door de tijd komen we nu bij het boek Daniël. We bevinden ons nu rond 539 v.Chr. Daniël zat in die periode gevangen in Babylon.

De historici houden niet van het boek Daniël. Daar zijn duidelijke oorzaken voor. In het boek Daniël staan namelijk profetieën zoals welbekend is. Het spreekt over vier koninkrijken. Twee daarvan vormen geen probleem. Daniël kende Babylon in 500 v.Chr. Hij woonde in Babylon. Ook moet hij geweten hebben van de Perzen, van Darius en Cyrus, want hij was daar toen het verwoest werd in 539 v.Chr.

Maar de laatste twee koninkrijken vormen het probleem. Hij spreekt namelijk over de Grieken die pas verschijnen rond 400 v.Chr. En hij spreekt ook over de Romeinen die pas verschijnen rond 200 v.Chr. Hoe kan iemand uit 500 v.Chr. spreken over rijken die 200 tot 400 jaar later pas verrijzen? Daarom houden historici niet van het boek Daniël.

Historici probeerden daarom fouten te vinden in het boek Daniël. Ze bestudeerden het verhaal, los van de profetieën zelf en zagen dat hij verwees naar een koning genaamd Belsassar. Daniël was bij het feest van Belsassar zoals we in Daniël 5 kunnen lezen. Belsassar zag een schrift op de wand, dat Daniël interpreteerde. Toen hij dat had gedaan in Daniël 5:16 en 29, zei Belsassar tegen Daniël: 'Gij zult als de derde in het koninkrijk heersen.' De derde? Belsassar was nummer één. Waarom werd Daniël dan niet nummer twee?

Wat belangrijker is: Is Belsassar wel de juiste koning? Hier staan veel voorwerpen uit die tijd, maar die verwijzen niet naar koning Belsassar. De voorwerpen in deze vitrines hier verwijzen naar Nabonidus, de laatste koning van de Babyloniërs. De historici bekeken de voorwerpen en zeiden dat de Bijbel zich vergiste. Nabonidus is de laatste koning in de gevonden koningslijsten, dus concludeerden ze dat de schrijver van het boek Daniël het daarom geschreven moet hebben in de Romeinse periode van 200 v.Chr. en net deed alsof hij een schrijver uit de 6e eeuw was. Achteraf beschreven dus, waarbij de schrijver de geschiedenis te slecht kende en deze duidelijke fout maakte. Hij had beter moeten kijken.

De historici leken gelijk te hebben en sloegen luidruchtig op de trom. Wat was ons weerwoord? Bijbelgeleerden sloegen op een andere trom. Een echte. Het gaat om dit kleine trommeltje hier, deze cilinder. Het ontsluit alles. Deze kleine cilinder werd ontdekt in een ziggoerat in de stad Ur. Nabonidus, die inderdaad de laatste koning was, herbouwde de stad Ur en de ziggoerat. Toen ze de stad opgroeven, vonden ze deze cilinder in die ziggoerat in spijkerschrift. Het gaat om een gebed geschreven door Nabonidus voor zijn zoon Belsassar. Dit is buiten de Bijbel de enige verwijzing naar Belsassar, de enige historische verwijzing ter wereld. Dat loste het probleem nog niet op. Nabonidus is de laatste koning. Belsassar is zijn zoon. Hoe zit dat?

Jay Smith wijst ons op een kleitablet in een vitrine tegenover de cilinderzegel met de naam van Belsassar. Het is de Nabonidus-kroniek. Daar staat dat Nabonidus zich de laatste 10 jaar van zijn leven terugtrok en in Arabië, in Tema, ging wonen. Hij liet de regering over aan zijn zoon. Hier staat de naam van de zoon niet op, maar op de cilinder wel: Belsassar.

Dat betekent dat beiden co-regenten waren, ze deelden dus de troon. Nu begrijpen we Daniël 5:16 en 29. Als Daniël nummer drie werd dan waren Nabonidus en Belsassar nummer één en twee.

Belangrijke rol van kleine feiten

Stel nu dat dit geschreven was in de Romeinse periode, in de 2e eeuw v.Chr. als een achteraf beschrijving, hoe kon de auteur dan dit kleine feitje geweten hebben?

Herodotus schreef in de 5e eeuw v.Chr., zoals we weten. Dat is slechts 100 jaar na Daniël. Toch kende Herodotus dit feit niet. Herodotus sprak alleen over Nabonidus. Waarschijnlijk wist hij alleen van Nabonidus, omdat hij alleen over deze voorwerpen hier in deze vitrines beschikte. Meer had hij niet. Hoe kon iemand uit de 2e eeuw v.Chr. meer weten dan iemand uit de 4e eeuw v.Chr.? Tenzij de auteur van het boek Daniël echt geleefd moet hebben in 500 v.Chr.!

Zo’n voorbeeld van het in elkaar grijpen van alle gegevens maak Jay Smith enthousiast. Het bewijst dat het boek Daniël echt geschreven is in 500 v.Chr. En als dat zo is, dan gaat het daadwerkelijk om een profetie. Daarom houden de historici niet van het boek Daniël.

Maar wie staan er nu met hun mond vol tanden? De historici. Want de getoonde cilinder en tablet bewijzen dat het boek Daniël geschreven moet zijn in 500 v.Chr. en niet in de 2e eeuw voor Christus. Zoiets geeft het boek Daniël zelf geloofwaardigheid. We kunnen de inhoud vertrouwen en dat is goed te verdedigen.

Belang van historische betrouwbaarheid

De betrouwbaarheid van de Bijbel en in dit geval ook de details van het Bijbelboek Daniel, is erg belangrijk. Dr. Smith voert bijvoorbeeld vaak discussies met moslimgeleerden en in die discussies blijkt vaak dat juist de details ertoe doen. Moslims voeren namelijk altijd aan dat Jezus Christus slechts een mens was omdat de naam die het vaakst wordt toegeschreven aan Jezus luidt: ‘Zoon des mensen’ en dat bewijst dat Hij slechts mens was. Jay Smith wijst er dan altijd op dat ze het boek Daniël niet gelezen hebben, want daarin staat de definitie van de ‘Zoon des mensen’. In Daniël 7:13-14. Daar staat dat “Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan.” Hij voert heerschappij over alle volken, natiën en talen. Alleen God is eeuwig. Degene die DE Zoon des Mensen is, is daarom God Zelf. Jezus zei daarmee dat Hij God Zelf was. De Joden wisten dat. Zij kenden Daniël en wisten dat de Zoon des Mensen niemand anders was dan God Zelf. Logisch dat de Joden boos werden en Hem wilden stenigen, want in hun ogen was dat ketterij. Hij beweerde Zelf God te zijn met die titel. Dank God voor het boek Daniël en dank ook dat het historisch is.

Door de kleine cilinderzegel met de naam van Belsassar en het kleitablet met het gebed van Nabonidus, hier vlak bij elkaar te zien in het Brits Museum,  weten we dat we het auteurschap van Daniël moeten plaatsen in 500 v.Chr. en niet in de 2e eeuw v.Chr. Het is historisch en gezaghebbend. We mogen Daniël daarom vertrouwen. Ook als hij zegt wie de Zoon des Mensen is: De Zoon des Mensen is God Zelf. Dat is de autoriteit die wij hebben.

Waar is Belsassar?

In het Brits Museum is heel erg veel materiaal uit het Midden-Oosten bijeen gegaard, maar er is niets te vinden dat Belsassar zelf heeft laten maken. Waarom zijn er geen kunstvoorwerpen, muurreliëfs en kleitabletten met heldendaden rond Belsassar? Waarom spreken ze wel over Nabonidus? Dat is een rechte vraag en de Bijbel geeft hiervoor het juiste antwoord.

Onthoud, dat alles wat we tot nu toe gezien hebben in het Brits Museum, al het materiaal uit de Assyrische tijd en uit de Babylonische tijd, werd samengesteld door koningen. Alleen zij konden zich zulke dure voorwerpen veroorloven. Nabonidus was een koning en het materiaal dat gemaakt werd – de tabletten, de wandreliëfs, de obelisken en de stèles die we gezien hebben – vertelt vooral over veroveringen van koningen.

Zoals we weten waren Nabonidus en Belsassar beiden co-regenten Ze deelden de troon, maar Nabonidus was de oudste. Alles wat geschreven wordt, wordt daarom geschreven over Nabonidus. Als Belsassar iets had veroverd, zou alle eer daarvoor naar zijn vader Nabonidus gaan. Maar voor Belsassar iets kon overwinnen, werd Babylon al verwoest. In 539 v.Chr. door Darius, onder de bescherming van Cyrus.

Er viel dus niets te schrijven over een verovering van Belsassar. Daarom hebben we alleen het werk van Nabonidus. Herodotus die honderd jaar later leefde, in de 5e eeuw v.Chr., beschikte alleen over deze voorwerpen, die verwezen naar Nabonidus.

Daarmee is de Bijbel betrouwbaarder dan de historische bewijzen. Alleen de Bijbel noemt Belsassar en geeft de juiste historische context. De naam op het trommeltje van het cilinderzegel bewijst dat Belsassar historisch was. Zo belangrijk is de Bijbel. Daarom zijn de voorwerpen in het Brits Museum ook zo belangrijk. Ze ondersteunen niet alleen de Bijbel, maar laten ook zien dat de Bijbel details noemt die zelfs de teksten op opgegraven voorwerpen niet noemen.

Dank God voor de Bijbel en dat we dit opgegraven materiaal hebben. Het vult elkaar aan en we mogen het vertrouwen.

De Perzische periode en het bevel van Kores

In de Westminster Chapel legt Jay Smith ons nog eens het belang van Daniël uit. Geweldig om al dat materiaal rond Daniël aan te treffen in het museum. We beseffen nu hoe authentiek Daniël is en hoezeer we het kunnen vertrouwen. En dat door zoiets kleins als die cilinder en het kleitablet er vlakbij in het museum! Ze bevestigen belangrijke zaken, niet alleen dat Jezus, de Zoon des Mensen, God Zelf is, maar ook dat het werkelijk geschreven is in de 6e eeuw v.Chr. en dus echt profetisch is.

Jay Smith neemt ons nu mee van de Babylonische periode naar de Perzische periode, een overgangsperiode via de verwoesting van Babylon in 539 v.Chr. door Darius, naar Cyrus. Smith neemt ons weer mee naar kamer 2, op de begane grond in het museum en we onderzoeken of een vreemde uitspraak van Cyrus in de Bijbel bevestigd kan worden door bewijzen buiten de Bijbel. Laten we ons met Smith eens verdiepen in deze Cyrus.

We hebben de Assyrische en Babylonische perioden afgerond en gaan de Perzische tijd binnen, ruwweg de 6e eeuw v.Chr. toen Babylon verwoest werd in 539 v.Chr. door Darius onder auspiciën van Cyrus II, de Grote. We lezen in de Bijbel over hem, namelijk in Ezra en Nehemia. De kinderen van Israël mochten op bevel van Cyrus terugkeren naar hun land. Ze mochten hun steden en tempels herbouwen. Bijbelkritische historici geloven niet dat een koning ballingen laat terugkeren zodat ze opnieuw een bedreiging voor hem kunnen worden. Dat klinkt onlogisch en het is ook nooit voorgekomen. Het lijkt voor ons inderdaad onlogisch, maar de Bijbel zegt echter heel duidelijk dat dit gebeurd is. Dus wat nu?

Jay Smith zegt dat als Bijbelcritici dit bericht over Cyrus niet leuk vinden, moeten ze hun archeologische voorwerpen hier in het museum maar bekijken. Smith toont ons een voorwerp dat hierbij vooral aandacht vraagt: de Cyruscilinder, geschreven in spijkerschrift door Cyrus II de Grote die regeerde van 550-530 v.Chr. Op deze cilinder staat heel duidelijk dat hij dit wel degelijk heeft gedaan. Hij liet het volk werkelijk terugkeren. Het bevestigt niet alleen de Bijbelboeken Ezra en Nehemia, maar ook iets dat 150 jaar daarvoor opgetekend werd in het boek Jesaja.

Cyrus wordt daarin zesmaal in genoemd. In Jesaja 45:1 staat dat Cyrus (Kores) door God gebruikt zal worden om Gods vijanden te vernietigen en Zijn volk vrij te laten. Zo specifiek is de Bijbel!

Historici die dit willen verwerpen, moeten niet alleen de Bijbel tegenspreken, maar ook hun kunstvoorwerpen in het museum die anders zo gezaghebbend voor ze zijn. De Bijbel bevestigt de voorwerpen en vice versa.

Dat is de schoonheid van de Bijbeltekst, bevestigd door de geschiedenis. Ze brengen het hele verhaal samen.

Het Bijbelboek Esther

Net als Daniël, vertelt ook het Bijbelboek Esther ons veel over de Perzische periode. Jay Smith nodigt ons uit om in het Brits Museum ook te kijken of we het boek Esther net zo als Daniël kunnen bevestigen. Hij toont ons een kleitablet uit de vijfde eeuw v.Chr. dat verwijst naar de dood van Xerxes I, de echtgenoot van Esther, die regeerde van 485 - 465 v.Chr. Dat bewijst ten eerste al dat Xerxes historisch was en niet legendarisch of mythologisch. Dit Perzische kleitablet uit de vijfde eeuw v.Chr. noemt zijn naam.

Maar eerst een vraag

Dr. Sasan Tavassoli zit met een vraag. Er is namelijk een terechte vraag die bij mensen op kan komen over de relatie van de Perzische koningen met God. De Bijbel beweert dat deze Perzische koningen geloofden in Jahweh, dat ze Jahweh erkenden als de enig waarachtige God. Maar op de Cyruscilinder, die we bekeken, wordt verwezen naar Marduk, een heidense god. Dat lijkt op een tegenstrijdigheid, op een probleem met onze Bijbel. Hij vraagt aan Dr. Jay Smith hoe die reageert u op zo'n aanklacht?

Smith zegt dat je op twee manieren hierop kunt reageren. Ten eerste moeten we in de gaten houden dat we voorzichtig moeten zijn, omdat we naar twee verschillende genres kijken. Twee soorten materialen. De kunstvoorwerpen in het Brits Museum zijn niet per se gericht op God, maar vooral op edicten, op tekstcodes, op transacties tussen partijen en geïnteresseerd in nalatenschap. Nalatenschap is het belangrijkst. Alles wat we tot nu toe bekeken hebben in het museum gaat over veroveringen, oorlogen. Ze zijn erg gewelddadig. Er wordt op verwezen naar overwonnen koningen, naar veroverde buit. Het gaat om de nalatenschap zoals haast alle koningen die nalieten. Daarom zorgen ze ervoor dat de aandacht op hen gericht is. Het gaat om de nalatenschap die ze aan hun nageslacht nalaten. Ze zijn niet geïnteresseerd in andere goden en al helemaal niet in andere volken, tenzij die volken overwonnen zijn. Als er iets mis ging – we zagen dat bij Salmanassar III en bij Sanherib – dan wordt daar niets over geschreven. De voorwerpen zijn dus bevooroordeeld, het vooroordeel zit ingebakken in de kleitabletten.

Ten tweede geldt dat de Bijbel geïnteresseerd is in het hele verhaal en in de relatie met God. Veel van de Bijbel spreekt vanuit dat standpunt. God die samenwerkt met de mens. Het gaat om de hartsrelatie, de relatie tussen mens en God.

Jay Smith verwijst naar Daniël 6:26. Toen Darius zag wat er gebeurde met Daniël en de macht zag van de God achter Daniël, Jahweh, gaf hij een bevel: “Iedereen moet Jahweh aanbidden!” Dat gebeurde waarschijnlijk echt maar we lezen er niet over, want de volgende paar koningen die dat bevel zagen beseften dat Jahweh niet de God van hun volk was. Dat bracht hem in verlegenheid en ze vernietigden daarop elke verwijzing naar elke andere God. Je zult daarom geen vreemde goden aantreffen op hun kunstvoorwerpen. Darius gaf waarschijnlijk echt de eer aan Jahweh. Hij was getuige van de leeuwenkuil zoals in Daniël 6 staat opgeschreven. De Bijbel zegt ook dat Darius het werk van God zag en dat hij Jahweh prees. De koningen erna stonden later niet toe dat een andere naam dan de naam van hun god werd genoemd. Ze zouden het direct vernietigen.

Recentere voorbeelden

We kunnen daar ook recentere voorbeelden van laten zien. Jay Smith zal ons een voorbeeld noemen.

Kijk naar de tijd waarin de islam gevormd werd. Uthman, de derde kalief, rond 650 n.Chr. (zo’n 1000 jaar later als de tijd van Darius), realiseerde zich dat er nogal een veelvoud aan codices van de Koran was die niet met elkaar overeenkwamen. Wat deed hij daar aan? Hij vernietigde ze allemaal. Volgens Abu Huraira in deel 6, Hadith 509-510 (het staat online en iedereen kan het lezen), beval Uthman Zaid ibn Thabit, AzZubair en Al-As om de codices, afkomstig van Hafsa een van de vrouwen van Mohammed, te herschrijven tot één geïntegreerde vorm. In Hadith 510 lees je dat hij daarna alle andere manuscripten vernietigt. Dat gebeurde vaak. Heersers vernietigden alles wat niet overeenstemde met de geïntegreerde codex die ze wilden samenstellen.

Een later voorbeeld uit de tijd van de Kaliefen na Mohammed, toen er strijd was tussen de Omajjaden en de Abbasieden. De Abbasieden mochten de Omajjaden niet omdat deze dynastie Damascus tot hoofdstad had gemaakt. Zodra de Abbasieden de macht overnamen halverwege de 8e eeuw n.Chr., werd Bagdad weer de nieuwe hoofdstad en werd alles wat verwees naar de Omajjaden vernietigd. Er is daarom maar weinig materiaal over de Omajjaden. Alles werd vernietigd, waaronder erg veel Koranmateriaal, zoals de manuscripten die het Hijazi-script gebruikten in de tijd van de Omajjaden.

De oudste manuscripten van de Koran zijn daarom afkomstig uit dit Abbasidische script. Dat is logisch te verklaren dus omdat het regelmatig gebeurde dat alles uit een voorgaande periode uitgewist werd. Dat was daar vrij normaal. Als dat bij de moslims al gebeurde, tien tot twintig jaar na de dood van Mohammed, aan het begin van de Omajjaden-dynastie dan kun je je ook goed voorstellen hoe dit ook gebeurde bij de Perzen. Dit komt dus heel vaak voor en soms is het ook in kunstvoorwerpen te zien die opgegraven zijn.

We hoeven geen verwijzingen naar vreemde goden te verwachten. De heersers zorgden ervoor dat hun nalatenschap alleen over hen en hun god sprak, in dit geval Marduk, in plaats van Jahweh zodat er geen twijfel bestond bij de generaties na hen welke god zij hadden aanbeden.

Dr. Sasan Tavassoli zwaait ons weer uit. We zijn aan het eind van de uitzending. Maar het wordt vervolgd. Bedankt voor het kijken en tot de volgende keer.

 

Laat uw reactie achter