Pro Life
You can click at the top right on "Select Language" to select your language - U kunt rechtsboven klikken op "Select Language" voor uw eigen taal
< Terug

DO015 De Bijbel. Hoe oordeelt de geschiedenis erover - Aflevering 03: De Hittieten, de tijd van David en de Assyrische periode

De Bijbel, het belangrijkste en populairste boek uit de menselijke geschiedenis. Essentieel in het judaïsme, christendom en de islam. Is het betrouwbaar? Vertrouwt u het en zou u het moeten vertrouwen? Doe mee met deze rondleiding door het Brits Museum en de Britse Bibliotheek met Sasan Tavassoli en Jay Smith in "De Bijbel, hoe oordeelt de geschiedenis erover", Aflevering  03: De Hittieten, de tijd van David en de Assyrische periode.

Introductie

Meer vondsten die de Bijbel bevestigen

Tavassoli en Smith zitten tegenover elkaar in de Westminster Chapel en Tavassoli opent het gesprek weer. In de vorige uitzendingen zijn bijzondere feiten voor het voetlicht gehaald, die de Bijbel op unieke wijze bevestigen als betrouwbaar verslag van de geschiedenis. Welke bewijzen hebben we nog meer in het Brits Museum die de authenticiteit en autoriteit van de Bijbel bevestigen?

Jay Smith vat eerst het besprokene van de vorige uitzending samen. De stad Ur hebben we al besproken. Er is een hele kamer gewijd aan Ur. We spraken over Sodom en Gomorra, bevestigd door de Ebla-kleitabletten. We spraken over de patriarchale gewoonten in de tijd van Abraham bevestigd door de Nuzi- en de Mari-tabletten die kort daarna geschreven zijn.

De Hittieten

Smith werpt een nieuwe vraag op: hoe zit het met de Hittieten? Bijbelgeleerden werd altijd gevraagd hoe het zit met de Hittieten. Er wordt alleen in de Bijbel, in Genesis, over gesproken en niet buiten de Bijbel.

Inmiddels hebben we bewijzen voor de neo-Hittitische beschaving. Omdat deze opgegraven zijn en hier in het Brits Museum te bewonderen. De bewijzen werden gevonden in het huidige Anatolië in Turkije.

Tavassoli herinnert zich dat hij jaren geleden een Turks museum bezocht in Ankara, met allerlei beelden en monumenten van de Hittieten, de voorouders van de huidige inwoners.

Jay Smith beaamt dat en zegt dat we nu, in de 21e eeuw, weten we dat de Hittieten echt bestonden. Ze hebben maar liefst 1000 jaar bestaan. De Hittieten vonden de strijdwagens uit om oorlog te voeren. Ze fokten en trainden paarden, die de wagens in de strijd te trokken. Zij introduceerden de strijdwagens aan de Egyptenaren die ze doeltreffend in de strijd gebruikten, zoals we weten.

Tavassoli herhaalt voor de duidelijkheid nog een keer dat voor deze ontdekkingen de Hittieten alleen bekend waren in de Bijbel.

Precies, de Hittieten maken Smith enthousiast. In het Brits Museum is er een hele kamer gewijd aan de Hittieten. Kamer 54: Ancient Anatolia. Bovendien weten we dat ze de voorouders zijn van de Meden. De huidige Koerden zijn de nakomelingen van de Meden die Pinksteren meemaakten, zoals in Handelingen 2 beschreven staat, die weer de nakomelingen zijn van de grote koning der Meden, Darius. De Darius die Babylon vernietigde in 539 v.Chr. onder de bescherming van Cyrus. Ook de voorouders van Sasan Tavassoli komen daar vandaan.

De Meden stammen dus af van Darius de Mediër, die een nakomeling is van de Hittieten. Als de Koerden tegen Jay Smith zeggen dat ze teruggaan tot Mohammed, wijst Smith ze op hun veel grotere en oudere erfgoed dat helemaal teruggaat tot de oude beschaving der Hittieten. Smith zegt wel eens dat ze daarmee meer recht hebben om christen te zijn dan hij. Zijn geslacht gaat terug tot Duitsland, dat van Koerden tot de eerste christenen. Koerden komen dus uit een veel oudere christelijke traditie dan hij. Hij zegt er ook altijd bij dat ze dat moeten beseffen en zich die erfenis eigen moeten maken, zodat ze beseffen dat God door de hele geschiedenis heen door hen gewerkt heeft.

De Amarna-tabletten

Smith herinnert eraan dat we nog een vierde serie kleitabletten moeten bespreken. We hadden al de Ebla-tabletten van 2300 v.Chr. uit Syrië en de Nuzi- en Mari-tabletten (1600 v.Chr. tot 1350 v.Chr.) uit de Eufraatvallei. En de laatste, in sommige opzichten zelfs interessanter, zijn de Amarna-tabletten. Ze geven ons een uitgebreide blik op de tijd van Jozua en Mozes. 1400-1397 v.Chr. [Amarnabrieven 1360-1336 vC (JvdL)]                                              

Laten we kijken in het Brits Museum wat de Amarna-tabletten ons te vertellen hebben.

Op de bovenverdieping van het Brits Museum, in kamer 56 bespreekt Jay Smith de Amarna-tabletten met ons. De Amarna-tabletten zijn in dezelfde tijd als het boek Jozua geschreven ongeveer in 1397 v.Chr. Direct na de dood van Mozes. We zien de Amarna-tabletten aan de muur, geschreven door de gouverneur van Fenicië naar Amarna, destijds de hoofdstad van Egypte. De farao woonde er. Hij schrijft over een vijandig, in stamverband levend volk in de bergen, dat afdaalde naar de vlakten om te vechten tegen de vestigingen aldaar en dat ze deze  vernietigden, maar dat ze ook bepaalde mensen lieten leven. Dat lijkt precies overeen te komen met wat Jozua schrijft.

[Noot: De hoofdstad van Egypte heette Achet-Aton, naar de daar vereerde god Aton, de zonneschijf. Die stad is gevonden in de ruïneheuvel Tell-el-Amarna, vandaar dat de stad ook wel Amarna wordt genoemd.]

We weten dat Jozua in die tijd in Kanaän kwam en veel stammen op de vlakten vernietigde. Jozua 9:1-18. Maar de Gibeonieten kwamen met versleten kleren en schoenen alsof ze uit een ver land kwamen. Ze wilden een verbond sluiten met Jozua en Jozua deed dat. Maar al snel bleken het mensen uit de buurt te zijn. Jozua had het verbond echter gesloten en zat eraan vast. De Amarna-tabletten noemen de Hebreeën 'de Habiroe'.

Laten we kijken hoe het Brits Museum de tekst heeft geïnterpreteerd.

Er staat bij de kleitabletten: “De brieven verwijzen naar de Habiroe, afgeschilderd als een zwervend, staatloos volk, dat vanuit de heuvels steden overviel. Deze 'alternatieve Kanaänieten' vormen de basis voor de Bijbelse Hebreeën.”

Zelfs het Brits Museum accepteert dat de Habiroe de Bijbelse Hebreeën zijn! Ze moeten ook wel. Het past in de periode, in de locatie en het is het juiste type volk. Alles komt overeen. Ook al wil je het aanvechten, deze kunstvoorwerpen spreken voor zich. Het Brits Museum heeft dus dezelfde conclusie als ons getrokken. Dat deze tabletten naar de geschiedenis van Jozua verwijzen. Daarmee bevestigt dit het boek Jozua, alle gebeurtenissen rond Jozua en de gebeurtenissen rond Mozes.

Jericho

Terug in de Westminster Chapel herinnert Smith wat we middels de tabletten inmiddels in de Bijbel hebben besproken. De tabletten verwijzen naar de Hethieten, naar de steden, Sodom en Gomorra, Ur. Dit alles wordt hiermee bevestigd. En daarmee de Bijbelse geschiedenis.

Smith wil met ons nog over één stad spreken, en wel Jericho.

Jericho is uniek, omdat het meer dan enig andere stad op aarde intact en ‘levend’ is gebleven. Er hebben door de hele geschiedenis heen mensen gewoond. We kennen de oorsprong van Jericho niet. De stad is zo oud dat er enorm veel werk is verzet door archeologen rond deze stad. Door de eeuwen heen hebben archeologen er gegraven en kwamen heel wat bewijzen tegen, vooral in de laag van 1400 v.Chr. Dat is de tijd van Jozua.

Uit Jozua 6 weten we dat Jozua de muren van Jericho vernietigde. Dit gebeurde ongeveer in 1397 v.Chr. Een archeoloog, John Garstang, van de universiteit van Liverpool kwam rond 1930 bij de laag van 1400 v.Chr. Het viel hem op dat de muren van Jericho vernietigd waren. Dat er veel schade door een brand was en dat de stad compleet vernietigd was. Vooral viel hem op dat de stenen van de muur aan de buitenkant van de stad lagen.

Dat bracht hem in verwarring want waar komen de stenen van een muur terecht als je een stad aanvalt met stormrammen? In de stad natuurlijk. Maar ze lagen erbuiten! Dus de muur was niet naar binnengevallen, maar naar buiten! Dat was heel onlogisch.

Als hij alleen maar Jozua 6 had gelezen. Daar lezen we dat er geen stormrammen en mensen aan te pas kwamen bij de vernietiging van de muur. Het was het werk van de engel van de Heer. Die vernietigde de muren van de stad.

De muren moesten naar buiten vallen, zodat Jozua en het leger er naar binnen konden om alle mannen, vrouwen, kinderen en zelfs ezels te vernietigen. Zo specifiek staat het er.

Een beroemde Engelse archeologe, Kathleen Kenyon ging later, rond 1950 naar Jericho en stelde dat de laag van John Garstang in een verkeerde periode lag om afkomstig te kunnen zijn van de verwoesting door Jozua. Ze zei dat de datering door Garstang niet klopte en dat hij een vergissing van 1000 jaar maakte! Ze suggereerde daarmee direct dat de Bijbel niet correct was. De tijdsperiode klopte niet, zo leek het.

Dit gebeurt voortdurend bij archeologen. Ze zijn het nooit met elkaar eens als het over de tijd gaat. Dit komt omdat ze onnauwkeurig zijn. De exacte tijdsperiode is moeilijk te bepalen en dat is juist een van de kernproblemen in de archeologie. Het is geen exacte wetenschap. Dat is het probleem in de archeologie.

Maar toen ging in 1978 John Bimson erheen en bestudeerde de verschillende dateringen en verzamelde een hele lijst aan data rond diverse gevonden kunstvoorwerpen. Hij was in staat om John Garstangs diagnose te bevestigen. Het was inderdaad gebeurd rond 1400-1397 v.Chr. zoals Garstang stelde. Dit suggereert voor Smith heel sterk, dat deze vernietiging plaatsvond, toen Jozua daar was.

Opnieuw zien we hier een bewijs onder de vele bewijzen die de nauwkeurigheid van Genesis ondersteunen, de nauwkeurigheid van de gegevens over dit volk, de gewoonten, de steden, de nauwkeurigheid van wat Mozes, en later Jozua, schreven.

(Nog) ontbrekende namen

Dr. Sasan Tavassoli wil een kwestie ophelderen. Sceptici zeggen: dat er nog geen documenten met de namen van Mozes, Abraham of Jozua gevonden zijn. Maar Jay Smith zegt, dat ook al hebben we nog geen bewijzen van hun namen in documenten of monumenten, toch zijn de verhalen die ze ons vertellen over de mensen, tijden, plaatsen en gebeurtenissen correct. Dat laten ons de opgegraven kunstvoorwerpen duidelijk zien. Tavassoli vraagt aan Smith of het klopt dat er nog niets is ontdekt dat in tegenspraak is met de Bijbelse data?

Prof. Smith bevestigt dat en wil er meteen op inhaken. Waarom hebben we namelijk de namen niet?

Kijk naar de namen op de voorwerpen die we zagen in het Brits Museum. We lezen ze in spijkerschrift, op stèles, obelisken, wandreliëfs, tabletten en welke namen zagen we wel? Alleen die van koningen. Allemaal mensen die beroemd en belangrijk waren. Anders was er ook geen reden om hun namen op te schrijven. Hun namen werden opgetekend, omdat ze vijanden overwonnen hadden.

Wie waren de Israëlieten? Slaven, herders en nomaden. Ze waren niet belangrijk genoeg voor de grote rijken van Assyrië en Babylonië. De namen die we wel hebben van de Israëlieten (daarover later meer) waren koningen. Er wordt verwezen naar Jehu, naar Hizkia. Joodse koningen. Namen van Israëlieten werden alleen maar opgetekend als iemand ze overwonnen en weggevoerd had. Die namen werden genoteerd ter zelfverheerlijking. De overwinnaars wilden opscheppen over hun daden in hun nalatenschap. Daarom noemden ze alleen koningen die ze overwonnen hadden.

Het is dus niet logisch om namen van nomaden tegen te komen in de verslagen uit het Midden-Oosten. Wat we wel vinden zijn de steden, de gebeurtenissen en de gewoonten. Die zijn zo nauwkeurig dat ze bewijzen dat de datering en het verslag van de Bijbel kloppen.

We hebben inmiddels kunstvoorwerpen in het Brits Museum besproken die Genesis bevestigen. We bespraken de Amarna-, Ebla- Nuzi- en Mari-tabletten.

We spraken over Jericho en over de patriarchale gewoonten die zo specifiek genoemd worden op deze kleitabletten. We spraken ook over het Jozua-verslag, dat bevestigd wordt door de Amarna-tabletten.

We bespraken zo ook de patriarchale periode vanaf 2000 v.Chr., de Mozaïsche periode van 1400 v.Chr. met de periode van Jozua daar vlak achteraan. Laten we nu overgaan naar de Davidische periode.

De Davidische periode

We spreken dan over de periode van 1000 v.Chr. De tijd waarin het spijkerschrift op de kunstvoorwerpen zodanig gespecificeerd was dat dit spijkerschrift over de grenzen heen gebruikt werd door de meeste grote rijken in die tijd.

David is altijd een probleem geweest. Hij zou toch ergens genoemd moeten worden? Hij was een grote koning, een van de grootsten in de Bijbel. Er was lang de vraag waarom er niets over hem gevonden was. Pas onlangs hebben we wel iets gevonden over David, namelijk in Karnac, in Egypte. Hij wordt genoemd door Sjosjenk, of Shisak die in Jeremia 51:41 'Sesak' wordt genoemd. In Egypte heette hij Sjosjenq. Deze Sjosjenq refereert aan David. We weten nu dus dat David een historisch persoon was. Hij wordt bij name genoemd in de Sjosjenq-inscriptie die in het Brits Museum te zien is.

Smith wijst ons op een dilemma voor het Brits Museum en hij wil ons laten zien wat het Brits Museum daarmee gedaan heeft. Laten we ernaar gaan kijken.

De Godsnaam

In het Brits Museum vertelt Smith van een theorie over de naam Jahweh, de heilige naam van God die de Joden niet durfden uit te spreken. Het tetragrammaton van vier letters, dat 6.823 maal voorkomt in de Bijbel. Die naam zou later pas bedacht zijn als een soort identiteitsteken ter onderscheiding van de andere goden. Over die suggestie werd veel getwist.

Het is interessant dat het Brits Museum dat probleem heeft opgelost middels een kleine potscherf, afkomstig uit 500 v.Chr. Hij komt uit de stad Lakis. Maar wacht even, Lakis was toch vernietigd door Sanherib, veel eerder dan 500 v.Chr.?

Ja dat is zo, maar Lakis werd een paar maal vernietigd en herbouwd. In 500 v.Chr. verwoestte de Babylonische Nebukadnessar Lakis en ook de pot waarvan deze scherf hier in deze vitrine is overgebleven. Daarop staat een stukje tekst. Deze tekst verwijst naar Jahweh. De tweede regel van boven, helemaal rechts: daar staan de vier letters. JHWH. Dat is de persoonlijke naam van God.

Die naam vinden we in Exodus 3:14 en 15, waar Mozes voor hij naar Egypte gaat om de Israëlieten te redden, aan God vraagt: Welke naam moet ik gebruiken zodat de Israëlieten me erkennen?

God geeft hem dan de naam Jahweh. Mozes kende dus die naam. En we weten uit de Bijbel dat ook Abraham die naam kende. De naam werd dus niet bedacht in de eerste eeuw na Christus zoals sommigen nog steeds suggereren. Want de naam staat al op een potscherf uit 500 voor Christus.

Noot: Alweer verwijzing naar Wiseman, die een uitstekende oplossing geeft voor de Godsnaam Jahweh. Mozes kende kennelijk die naam NIET en de aartsvaders ook NIET, zie Exodus 6:2. Hij was waarschijnlijk bekend met de naam die de aartsvaders gebruikten, nl. “de Almachtige (El Shaddai)”. Zie Wiseman, hst. 12 voor details.

Het Brits Museum en de Bijbel

Fascinerend is dat het Brits Museum het meest sceptische instituut is als het gaat om de Bijbel. Maar op de plaat naast de potscherf zien we het verhaal van David, zijn zoon Salomo en de splitsing van de koninkrijken, als ging het om historische gebeurtenissen!

Waarom citeert het Brits Museum de Bijbel (het grote verhaal van christenen) en hangt dat op? Deze plaat werd in 2003 opgehangen. Kennelijk trekt het Brits Museum dezelfde conclusie als wij. Ze kwamen de namen tegen op de kunstvoorwerpen, zoals Salmanassar, Sanherib en Tirhaka, en ontdekten dat de Bijbel zelfs historischer was dan de voorwerpen die ze vonden. Ze trokken daarom dezelfde conclusie: De Bijbel is inderdaad historisch. Zozeer zelfs, dat ze (als meest Bijbelkritische instituut!) bereid zijn om eruit te citeren en dat aan hun wanden te hangen. Dat maakt Prof. Jay Smith enthousiast. Hij ziet voor zich dat met een paar jaar ons grote verhaal, de Bijbel misschien wel door het hele museum aan de wanden hangt!

Wat vertelt ons dit? Als we ons de grote denkers van deze wereld voorstellen, de wetenschappers en de filosofen, die de berg der kennis beklimmen, dan zullen ze vroeg of laat de top bereiken. En als ze daar zullen komen, zullen ze de theologen op de top ontmoeten, die allang op hen zitten te wachten.

De kunstvoorwerpen uit het Brits Museum wijzen erop dat de Bijbel historisch is als het spreekt over mensen, plaatsen, gebeurtenissen en tijden. Logisch dat ze hier de Bijbel citeren als historisch feit en aan de wanden hangen!

Het maakt Jay Smith enthousiast en hij hoopt dat wij dat ook worden.

De Assyrische periode

Hopelijk bemoedigt dit ons zoals het ook Prof. Jay Smith bemoedigt. Als zelfs het Brits Museum de Bijbel de eer geeft, door toe te geven dat deze nomaden, de Habiroe, deze Kanaänieten, de Bijbelse Hebreeën zijn. Als ze de Bijbel zo eren door de citaten daaruit aan hun wanden te hangen (iets waarvan Smith denkt dat ze dat steeds vaker zullen doen), hoe zit het dan met de volgende periode, de negende eeuw voor Christus? Dat is de Assyrische periode, waar we nu in terecht komen.

Daarna gaan we naar de Babylonische periode en dan de Perzische periode, de tijd van het voorgeslacht van Sasan Tavassoli. Als we deze periode betreden, is er sprake van een heel nieuwe reeks criteria.

En het Brits Museum is de beste plaats ter wereld voor dit materiaal. De Britten waren immers de eersten die veel van de steden aan het licht brachten in Assyrië, zoals Nimrod, Balawat, Korsabad en Ninevé.

Laten we Smith en Tavassoli maar weer eens volgen door het museum en kijken wat het ons te vertellen heeft over boeken zoals 1 en 2 Koningen, 1 en 2 Kronieken.

Wat heeft het ons te vertellen over de Israëlische koningen zoals Achab, Jehu of Hizkia? Het is echt opwindend wat de Britten ontdekt en verzameld hebben in dit museum. Laten we kijken hoe dat verhaal zich ontvouwt.

We zijn nu in de Assyrische periode, op de begane grond in kamer 6 in het Brits Museum. De ruimte toont ons voorwerpen en interpretaties over de 9e, 8e en 7e eeuw v.Chr. toen Assyrië het machtigste rijk was. We bekijken dit tijdperk en deze voorwerpen, omdat we verwijzingen hebben naar die periode in 1 en 2 Koningen en 1 en 2 Kronieken.

Bevestigen de voorwerpen in deze ruimte de Bijbelse gebeurtenissen? U moet begrijpen dat het materiaal waar we naar kijken afkomstig is van koningen. Ze zijn groot en duur. Ze spreken over hun eigen overwinningen en geschiedenis vanuit hun eigen perspectief. We zullen zien waarom dat van belang is. Laten we ons verhaal verderop beginnen en wat kunstvoorwerpen bekijken.

Jay Smith gaat ons voor naar een paar obelisken en stèles. Als eerste bespreekt hij een stèle met ons die ons in de 9e eeuw v.Chr. brengt. De Assyrische periode is van de 9e tot de 7e eeuw v.Chr. en we zullen vier steden daarin bepreken.

We beginnen met de stad Nimrod. Assyrië beslaat het huidige Noord-Irak en we bezoeken daar ook de stad Balawat, dan Korsabad en tenslotte Ninevé.

Leer de overblijfselen begrijpen: de stèle van Salmanasser III

We beginnen met Nimrod en deze man op de stèle: Salmanassar III, die leefde van 859 tot 824 v.Chr. In 2 Koningen 22 zien we dat Achab de koning van Israël is. Achab was een goddeloze koning, die zeker niet dichtbij de Heer leefde. Hij had ruzie met zijn buurman Benhadad. Er was voortdurend heen en weer gaande strijd tussen hen. In 1 Koningen 22:1 staat dat er drie jaar lang geen oorlog was tussen Achab en Benhadad. Er staat niet bij waarom. Kunnen we daar wel achter komen? Daarvoor moeten we de stèle bestuderen die Jay Smith ons nu laat zien.

Deze stèle geeft ons het antwoord. Hij komt uit dezelfde periode, 853 v.Chr. Er staat dat Salmanassar III Assyrië verliet en optrok naar Fenicië. Fenicië is het huidige Israël. Het lag langs de kustvlakten waar ook de Filistijnen leefden.

In Fenicië viel hij koning Irluheni aan van Hamat. Irluheni had hulp nodig. Hij kon niet op tegen de supermacht uit het noordoosten. Hij ging naar de andere koningen van de vlakte, waaronder Achab en Benhadad, en riep ze te hulp. Dat deden ze. Nu snappen we waarom ze niet meer tegen elkaar vochten. Ze hielpen Irluheni in Hamat om Salmanassar terug te drijven.

Kijk naar deze stèle. Het is in spijkerschrift en er wordt gesproken over die strijd. Er staat dat de rivieren in die strijd vol waren met lijken, dat de vlakte bedekt was met bloed. Dat lijkt op een bloedbad te wijzen. Maar aan het einde wordt er geen melding gemaakt van overwonnen koningen en steden. Salmanassar keert gewoon weer terug.

Wat is hier aan de hand? Hier is sprake van een 'politieke draai'. Deze voorwerpen hier, de stèles, wandreliëfs, tabletten spreken alleen over zaken die gunstig voor hun eigenaren (de koningen) afliepen. Dat gebeurt nu ook. George Bush, Tony Blair. Geven ze weleens toe dat ze fouten maken? Nee. Wat we vandaag zien, zien we ook in de 9e eeuw v.Chr. We moeten beseffen dat deze kunstvoorwerpen ons niet het volledige verhaal vertellen. En hier gaat de Bijbel opvallen.

De Bijbel: getrouwe berichtgeving

De Bijbel vertelt wel het hele verhaal. Als we door de Assyrische tijd gaan zien we dat de Bijbel veel nauwkeuriger is. De Bijbel is geïnteresseerd in het hele verhaal en niet in politiek gedraai. Jay Smith bespreekt dit met ons, zodat we beseffen dat een historisch voorwerp alleen onvolledig is. Toch hebben we ze nodig. Waarom? Ze geven ons de plaats (Fenicië), de gebeurtenis met de namen (de aanval in 853 v.Chr. door Salmanassar III op Irluheni, Benhadad en Achab, die samen vochten), waardoor we 1 Koningen 22:1 opeens begrijpen. Ze reiken ons gebeurtenissen en bijbehorende tijdsperioden aan. Daarom hebben we ze nodig.

De zwarte obelisk met Jehu

Laten we twee andere voorwerpen bekijken die de tijdsperiode, de personen, maar ook de gebeurtenissen bevestigen. Laten we naar de zwarte obelisk gaan, iets verderop.

Een veel voorkomende aanklacht tegen de Bijbel houdt verband met de personen daarin. Erg veel critici vragen zich af of deze Bijbelse karakters wel historisch zijn. Als er geen bevestigingen buiten de Bijbel zijn, nemen critici vaak automatisch aan dat het om legendarische of mythologische personen gaat. We spraken al over Achab. Die vraagtekens worden ook steeds gezet bij Jehu.

Jehu was overste van de soldaten. We lezen in 2 Koningen 9 en 10 over hem. Achab was een slechte, goddeloze koning. Na Achabs dood ging de profeet Elisa naar Jehu en verzocht hem de familie van Achab uit te roeien en zelf koning te worden. Dat deed hij. Toen deed Jehu iets interessants. Hij bewees hulde aan Salmanassar III in 841 v.Chr.

Jay Smith wijst naar een figuur op de zwarte obelisk. We zien hoe iemand buigt voor Salmanassar III. Deze persoon wordt op deze obelisk ‘Jehu, koning van Israël’ genoemd. Dit is de oudste verwijzing ter wereld naar een koning van Israël. Het is ook de oudste afbeelding ter wereld van een koning van Israël. Een bewijs dat Jehu historisch was.

Hoe helpt dat ons?

Op veel manieren. Allereerst weten we nu dat Jehu historisch was. De Bijbel heeft het juist. Maar ook de locatie klopt. In dit geval het paleis in Nimrod van Salmanassar III. De tijdsperiode klopt ook waarin Jehu op deze manier geplaatst wordt, namelijk 841 v.Chr. Precies de tijd die we nodig hadden. En als laatste, ook zijn naam klopt. De datum, de naam, de persoon en de gebeurtenis. Daar zijn we naar op zoek.

Dat is de tweede bevestiging van een Bijbelse gebeurtenis in de 9e eeuw v.Chr. Willen jullie er nog één?

Dan gaan we verder met Prof. Smith op verkenning door het Brits Museum!

Balawat

Salmanassar III bouwde Nimrod niet, maar wilde wel een stad achterlaten. Hij bouwde daarom het zomerpaleis Balawat. We weten hoe Balawat eruitziet, omdat ze de stad hebben opgegraven. Jay Smith wijst naar een foto in een vitrine en laat zien hoe Balawat er vandaag uit ziet, slechts een heuvel in de woestijn. We komen daar overal ruïneheuvels tegen. Je ziet ze bijvoorbeeld in Syrië, Jordanië en Irak. Als een archeoloog zo'n ruïneheuvel ziet wordt hij enthousiast. Een ruïneheuvel in de woestijn wijst namelijk op steden die verwoest zijn door aardbevingen of door oorlogen, die onder het oppervlak van zo’n heuvel liggen. Na zo’n verwoesting, kwamen de mensen weer terug en werden de steden weer herbouwd. Dat gebeurde voortdurend. De vluchtende mensen lieten steeds kunstvoorwerpen achter die bedolven werden onder het puin. Archeologen graven dit nu allemaal weer op. Ook in Balawat groeven archeologen steeds dieper. Op de foto’s in de vitrines zie je hoe archeologen door de diverse lagen groeven. Ons gaat het er nu om dat ze de laag uit de 9e eeuw voor Christus bereikten.

In die periode rond 850 v.Chr. ontdekten ze grote poortscharnieren, links en rechts in de vitrines opgehangen. Ze zijn gevonden in de laag van die periode en zijn gemaakt van brons. Ze waren gemaakt voor zeer grote deuren. Het Brits Museum heeft ze nagemaakt zodat we een indruk kunnen krijgen van de enorme grootte van deze deuren. Deze moderne modellen van de aloude deuren waren beslist geen toiletdeuren waardoor je in en uit rent.

Jay Smith wil ons graag zo’n scharnier nader laten bekijken.

Op zo’n scharnier zijn in een aantal rijen boven elkaar gebeurtenissen afgebeeld. Het gaat Smith om de tweede rij van boven. Deze rij beeldt soldaten af die eer bewijzen aan Salmanassar III, die we links op het scharnier zien staan. De handen van de soldaten zijn achter hun ruggen vastgebonden. Het gaat om krijgsgevangenen. Dit zijn de soldaten van Irluheni. De soldaten van Hamat. Dat bewijst dat er een oorlog was in 853 v.Chr.

Opnieuw een bevestiging van deze gebeurtenis in 853 v.Chr. die we eerder zagen op de stèle. Begrijpen we het belang hiervan?

We hebben nu drie verschillende kunstvoorwerpen gezien, de stèle, de zwarte obelisk en de scharnieren, en deze bevestigen alle drie de gebeurtenissen rond 850 v.Chr. en daarmee ondersteunen ze 1 Koningen 22 en 2 Koningen 9 en 10.

Drie verschillende voorwerpen, uit twee verschillende steden die de gebeurtenissen bevestigen uit Koningen. Zulke voorwerpen zoeken we ter bevestiging van de Bijbelse geschiedenis. Met plaats, naam, gebeurtenis en tijd. Allemaal bevestigd door deze kunstvoorwerpen. Het bevestigt de autoriteit van de Bijbel. Als de Bijbel erover spreekt kunnen we het vertrouwen, besluit Prof. Jay Smith enthousiast.

Dr. Sasan Tavassoli meldt dat we alweer aan het einde van de uitzending zitten. Onze tijd zit erop. Tavassoli vraagt ons ook de volgende aflevering met dr. Jay Smith te bekijken.

DO013 1. Genesis en de rol van de geschiedenis - 28 minuten
DO014 2. Genesis: Ur, Sodom en Gomorra – 28 minuten
DO015 3. De Hittieten, de tijd van David en Assyrische periode – 28 minuten
DO016 4. Koningen en Jesaja – 27 minuten
DO017 5. De Babylonische en Perzische periodes – 25.30 minute
DO018 6. De manuscripten van het Nieuwe Testament – 28.30 minuten
DO019 7. De Britse bibliotheek en de Bijbel – 29 minuten
DO020 8. Bewijs van de Koran – 38 minuten
DO021 9. Bewijs in de Koran zelf, deel 1 – 29 minuten
DO022 10. Bewijs in de Koran zelf, deel 2 – 30 minuten
DO023 11. Boeken in de canon van de Bijbel – 29 minuten
DO024 12. Jezus en Paulus – 28.30 minuten


Laat uw reactie achter